Guido Lauwaert, DE VOYAGE IN SHAFFY

Guido Lauwaert

Op z’n minst 50 voorstellingen van Voyage au bout de la nuit  (Nederlandse titel “Reis naar het einde van de Nacht”), naar de gelijknamige roman van Louis-Ferdinand Céline, heb ik gespeeld in het Shaffy Theater aan de Keizersgracht van Amsterdam, verspreid over twee seizoenen.

Louis Ferdinand Céline

Louis Ferdinand Céline

Ik begon de voorstelling – staande onder een grote Franse vlag, twee boules tegen elkaar tikkend, terwijl de toeschouwers zich een plaats uitzochten. Eenmaal de zaalwachter teken deed dat ik mocht beginnen liet ik een boule vallen. Hij rolde richting publiek. De tweede gooide ik er achteraan,  mompelend wat onverstaanbare Franse woorden, als een ervaren Franse speler van jeu de boules. Op de eerste rij gingen voeten veiligheidshalve de lucht in. Toen de boules waren uitgebold, slofte ik naar een rieten stoel midden op het toneel, waarop een plaid en een half dozijn foulards lagen, alles slordig gedrapeerd, en ging zitten. De roman lag half weggestopt tussen de foulards. Ik haalde hem te voorschijn, bladerde er door, keek het publiek aan met een verveelde blik en begon de eerste alinea voor te lezen. In het Frans.

Ca a débuté comme ça. Moi, j’avais jamais rien dit. Rien. C’est Arthur Ganate qui m’a fait parler. Arthur, un étudiant lui aussi, un camarade. On se rencontre donc place Clichy. C’était après le déjeuner. Il veut me parler. Je l’écoute. ‘Restons pas dehors! qu’il me dit. Rentrons! ’Je rentre avec lui. Voilà.

De helft van de toeschouwers schrok. Je zag ze denken, ‘O nee! Een Franse voorstelling! We zitten fout! Hadden we dat geweten…’, maar hun gezicht klaarde op toen ik het boek naast de stoel op de grond legde en de alinea hernam, in het Nederlands.

Zo is het begonnen. Ik had tevoren nooit iets gezegd. Nooit. Arthure Ganate, die heeft me aan het praten gebracht. Arthur, ook een student in de medicijnen, een vriend van me. We kwamen elkaar tegen op de place Clichy. Na het middagmaal. Hij wilde me spreken. Ik luisterde. ‘Laten we hier niet blijven staan!’ zei hij, ‘ga mee!’ Ik ging met hem mee. Zo is het gegaan.

De eerste voorstellingen zat er nauwelijks volk in de Shaffyzaal. Capaciteit 120 man. Tot twee recensenten kwamen kijken. De volgende ochtend werd de monoloog als aanrader getipt in de Volkskrant. En Jac Heijer schreef in NRC Handelsblad dat ik het boek had ingekort, maar met behoud van de beschouwelijke reflectie van Céline. De machtigen zijn slecht en gemeen, de anderen zijn getrapt en geslagen en voor de gevoelige natuur blijft niets anders over dan zich te isoleren. Zonder ook maar een moment belerend te zijn, gaf ik de boodschap van Céline door alsof ze de mijne is. Dat deed ik, nog steeds volgens de kapelmeester van de critici, knap en integer en mijn gevoeligheid overtuigde.

De goeie recensies zorgden voor een bestorming van de reservatiedienst. De telefoon stond roodgloeiend en kort na de middag kwamen mensen langs om toch zeker een kaartje te hebben voor die avond. De laatste dagen van de week zat het theater met een probleem. Ik was altijd heel vroeg aanwezig en Steve Austen kwam me vinden in het foyer.

“Guido, man, de voorstelling loopt als een trein. Gefeliciteerd.”

Ik was op mijn hoede. Kende Steve al zo goed dat ik wist dat het toontje ellende voorspelde, maar hij er baat bij zou hebben.

“De reservatie kan niet volgen. Volgende week sta je hier ook, maar naar het zich laat aanzien zullen eind van de week alle kaartjes voor die voorstellingen de deur uit zijn. Daarna is de Shaffyzaal voor een andere groep gereserveerd. Die kan ik niet afzeggen. Dat begrijp je toch? Maar ik heb een oplossing, als je het er mee eens bent. Namelijk dat je de voorstelling tweemaal per avond speelt. De eerste om acht uur en de tweede om half elf. Lijkt me leuk.”

“Steve! Weet je wel hoeveel energie ik spuit?”

“Ja, dat zie ik wel, maar je hebt er nog veel meer. Na de voorstelling zit je nog uren in de bar, elke avond een andere griet te versieren. En je wordt dubbel betaald, mits een lichte aftrek omdat alle spullen toch aanwezig zijn en er geen reiskosten zijn.”

Wat kon ik daarop zeggen? Braaf knikte ik.

“Goed zo, Guido. Ik had niets anders van je verwacht.”

Op de voorstellingen in Shaffy volgden een paar honderd andere.

Heel Nederland werd afgereisd. Rotterdam; de Lantaren, Haarlem met zijn heerlijke Toneelschuur, Nijmegen, Groningen, Arnhem, Zaltbommel [ik zag de nieuwe brug], Wadway, waar het torenklokje vijf minuten voor aanvang werd geluid. Ik zag het publiek aansloffen. Utrecht, Breda, Den Bosch. Den Haag. Overal waar het netwerk van Shaffy een voet tussen de deur had. Twee, drie seizoenen. De tweede plateaus van schouwburgen en de zalen van het alternatief circuit, goed voor honderd stoelen.

Dankzij Shaffy heb ik een flink pak voorstellingen in Vlaanderen gehad. In heel wat kleine zalen en in menige jeugdclub heb ik De Reis gespeeld. Ze zaten indertijd zonder uitzondering in de puberteitsperiode. In een hok hing een lucht van verschaald bier en stond een emmer water om je te verfrissen na afloop. Nu eens lag een verkreukelde speellijst van een bandje op een leeg vat, dan weer klamme keukenhanddoeken. Soms zelfs een damesslipje. Het was de tijd dat je cash werd uitbetaald na afloop. In Nederland was dat geen probleem maar in Vlaanderen liep dat vaak slecht af. Niemand die over je gage sprak. Na een half uur vroeg ik aan de barman tot wie ik mij moest wenden om betaald te worden.

‘Man, had je dat nu vijf minuten eerder gevraagd. De voorzitter is net weg.’ Het was vaak een hele toer om aan je geld te geraken. Twee, drie telefoontjes… vier. Een aangetekende brief met een fotokopie van het contract. Je zag het aankomen en nam je voorzorgen. Door een spot of snoeren mee te jatten. Als voorschot op de schade die volgen zou.

Er waren ook betere zalen. Zoals het cultureel centrum De Warande van Turnhout, waar Eric Antonis directeur was. De beste voorstellingen, althans wat Vlaanderen betreft, waar ik de warmste gevoelens aan overhoud, waren in de legendarische Zwarte Zaal van Gent. Vanaf deze plek een groet aan de stichter en drijvende kracht, Pierre Vlerick. Hij is dood, ja, maar er zijn er die nooit sterven, ook al zijn ze verbannen naar een soort van voorgeborchte door de schroeiplekjes in het geheugen van de nieuwe generatie journalisten en cultuurambtenaren.

Guido Lauwaert. Foto: Michiel Hendryckx

Guido Lauwaert. Foto: Michiel Hendryckx

Maar hoe is het eigenlijk allemaal begonnen? Aan het eind van de jaren zeventig had ik de Voyage een eerste maal gelezen. Dankzij een Vlaamse auteur die graag zijn hand in het halsje van een meisjesblouse stak om, zoals Graham Greene het uitdrukte, ‘de bron van het leven te strelen en er de warmte van te voelen’. Uit zelfbehoud. Louis Paul Boon, uiteraard. Hij is de man die mij de richting van Céline heeft gestuurd, met de zin op de eerste bladzijde van De Kapellekensbaan: “of zult gij het leven binnen tijd en ruimte hardnekkiger geselen dan in de voyage au bout de la nuit?” Eindelijk begreep ik dat het bestaan wordt gevoed door de kring waarin je leeft, en dat je om te overleven op die kring moet pissen, maar moet opletten je beminden niet te besprenkelen. Nog tijdens de lezing wist ik dat ik van de Voyage ooit een monoloog zou maken. Niet veel later was het zover. Toen ik zelf mijn favoriete passages had aangestipt en na drie nachten en twee dagen bezig te zijn geweest met schaar en lijm de tekst in mijn opperhoofd stampte, kwam François Beukelaers langs. Nog maar goed en wel bezig of hij onderbrak me en zei: “Dat is het. Dat eerste blokje is het hele boek. Zo moet je het bekijken. Want als Bardamu Arthur Ganate niet op de place Clichy was tegengekomen en hij hem niet had gevolgd, was al de ellende die erop volgt nooit gebeurd.”Gent, 2013-07-25

Tijdens het SHAFFY WEEKEND in Felix Meritis zal Guido Lauwaert op beide avonden, vrijdag 8 en zaterdag 9 november De reis naar het einde van de nacht een laatste maal hernemen. Tenzij Steve Austen de acteur mailt: ‘Beste Guido, waarde vriend, we zitten met een probleem.’